Dispositie

 


Dispositie van het Edskes orgel te Aagtekerke

 
Hoofdwerk:
 
 
 
Bovenwerk:
 
 
Bourdon
16’
 hout, metaal
Gedekt
8’
C-H hout
Prestant
8’
 front, tin 80%
Viola
8’
C-H gekombineerd
Roerfluit
8’
 C-H hout  
Prestant
4’
 
Gamba
8’
 
Fluit
4’
 
Vox Celeste
8’
 zwevend gestemd
Nasard
3’
 
Octaaf
4’
 
Octaaf
2’
 
Gemshoorn
4’
 
Woudfluit
2’
 
Quint
3’
 
Sesquialter
II
 
Octaaf
2’
 
Quint
1 1/2’
gereserveerd 
Cornet
III
 
Dulciaan    
 8’
 
Mixtuur
IV
 
 
 
 
Trompet
8’
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Pedaal:
 
 
 
Speelhulpen:
 
 
Subbas
16’
hout
Koppel hoofdwerk - bovenwerk
Octaafbas
8’
 
Koppel pedaal - hoofdwerk
Bourdon
8’
hout
Koppel pedaal - bovenwerk
Roerquint
Octaaf
6’
4’

 
Tremulant


Bazuin
16’
C – H houten bekers
 


Trompet
8’

 
 
 
 
 
 
 

Uitleg bij de Dispositie
Algemeen

In de nieuwsbrieven is regelmatig gesproken over de dispositie van het orgel. We kunnen ons voorstellen dat velen niet goed weten waar het dan over gaat. Of zich bij de registernamen die dan worden genoemd weinig kunnen voorstellen. In dit onderdeel gaan we proberen op een eenvoudige wijze hierover iets te verduidelijken aan de hand van de dispositie van ons nieuwe orgel. Opmerkingen/vragen zijn hierbij welkom.

Wat is een dispositie? Eenvoudig gezegd betreft het een opsomming van de beschikbare stemmen (anders gezegd registers) van een bepaald orgel. Elk orgel heeft dus zijn eigen specifieke dispositie.

De dispositie zegt dus veel over een orgel: Hoe groot het is (aantal registers) maar geeft ook een bepaald beeld van de klank. Natuurlijk wordt de klank ook door andere factoren bepaald. We noemen nu: De maatvoering van de afzonderlijke orgelpijpen (We noemen dat ook wel de mensuren). Intonatie, de juiste afwerking en afstelling van alle orgelpijpdelen. Deze begrippen worden later nog nader uitgelegd. Verder bepaald zeker ook de akoestiek van de ruimte een groot deel van het uiteindelijke klankbeeld.

Het aantal registers kan per orgel sterk variëren. Van een enkele stem voor de kleinste orgeltjes tot wel meer dan 100 voor de allergrootste. Ons best
aande orgel heeft 20 stemmen, het nieuwe krijgt 28 stemmen en één gereserveerde stem.
Register

Wat is een register? Een orgelstem of register is een rij met orgelpijpen, waarbij in principe iedere toets een eigen pijp heeft. Dat is omdat elke pijp maar één toonhoogte en klank kan voortbrengen. Ons orgel krijgt  54 toetsen, dus heeft een stem in principe 54 pijpen. Een stem van het pedaal dus 27 pijpen. Er zijn uitzonderingen: sommige stemmen lopen niet door over het gehele klavier oftewel niet elke toets heeft een pijp. Maar er zijn ook stemmen die meerdere pijpen per toets hebben. Als we zo alles bij elkaar optellen komen we op een totaal van ruim 1500 pijpen in het orgel.
  
 




 
Registernamen

De registers zijn onder te verdelen in verschillende families, zeg maar groepen.

Om te beginnen verdelen we de registers in twee hoofdgroepen: labiaalstemmen en tongwerken. Dit heeft alles te maken met de manier waarop de toon wordt gemaakt.

Bij labiaalpijpen komt de toon tot klinken doordat de lucht die door een smalle spleet tegen het bovenlabium (zeg maar
bovenlip) wordt geblazen gaat trillen en in het bovenste deel van de pijp gaat resoneren en zo een toon vormt. Op een soortgelijke wijze als bij een blokfluit. Zie ook de verdere uitleg die hiervan bij het onderdeel “werking van het orgel” wordt gegeven.

Bij tongpijpen komt de toon tot klinken door het trillen van een messing tong in het onderste deel van de pijp, het geluid wordt versterkt in de beker, het bovenste deel van de pijp. Het principe is enigszins te vergelijken met de tongen die zich in een harmonium bevinden. In ons orgel komen 4 tongwerken voor: Trompet 8’ op het hoofdwerk, Dulciaan 8’ op het bovenwerk en op het pedaal de Bazuin 16’ en Trompet 8’.

Alle overige 22 stemmen zijn dus labiaalstemmen. Ook deze zijn weer onder te verdelen in een aantal groepen.

We bekijken eerst de belangrijkste groep: de Prestanten. Het woord komt van ‘prestare’, dat betekent ‘vooraanstaan’. U begrijpt het al, de ‘frontpijpen’ die we aan de buitenkant van het orgel zien staan behoren tot deze groep. Dit is echter nog maar een klein deel van alle prestantpijpen in een orgel. De prestanten vormen door hun krachtige, heldere klank de ruggegraat van de klank van het orgel en zijn daarom ook onmisbaar.

T
ot deze groep behoren op het Hoofdwerk: Prestant 8’, Octaaf 4’, Quint 3’, Octaaf 2’ en Mixtuur IV sterk. Op het bovenwerk Prestant 4, Octaaf 2’ en Sesquialter II sterk. Tenslotte op het pedaal Prestant 8’ en Octaaf 4’.

U vraagt zich natuurlijk af wat de cijfers achter de namen betekenen. Deze hebben betrekking op de lengte van de pijp en daarmee op de hoogte waarop de stem klinkt. 8 voet (‘ = voet) betekent dat de grootste pijp van dit register 8 voet = ongeveer 2,40 m1 lang is. Een 8 voets stem klinkt op ‘normale’ toonhoogte. Dat is de hoogte waarop een mannenstem klinkt. Een stem van 4 voet, waarvan de pijpen dus de helft korter zijn, klinkt een octaaf hoger, de hoogte van de vrouwen- en kinderstemmen. Een stem van 2 voet nog weer een octaaf hoger.

Met deze verschillende toonhoogtes is het dus mogelijk de orgelklank ‘kleur’ te geven en behalve volume ook helderheid toe te voegen. De Quint 3’ klinkt niet op een octaaf maar er tussen in op een kwint (5 tonen hoger) een geeft daarmee een heel aparte heldere klank, maar die wel goed tussen de 4 en de 2 voet past. We noemen dat daarom een vulstem. Ook de mixtuur is een vulstem, en wel een hele bijzondere. Het eerste wat opvalt is dat elke toets wel 4 pijpjes (vandaar de naam 4 sterk) heeft, elk met weer een aparte toonhoogte. Deze kleine pijpen van deze stem klinken nog hoger dan de Octaaf 2’. Dit register vormt daarmee dan ook de klankkroon van het orgel.

De Sesquialter II sterk van het bovenwerk is ook zo’n samengestelde vulstem. Elke toets heeft 2 pijpen, een op quint hoogte (5 tonen hoger dan de grondtoon) en een op terts hoogte (drie tonen hoger dan de grondtoon). Het register heeft daardoor een heel eigen, karakteristieke, heldere en indringende klank en is daarmee heel geschikt om de melodie van een psalm met een zogenaamde uitkomende stem te laten horen. De Quint 1 1/2' is een zogenaamde gereserveerde stem. Bij het maken van de lade bleek er wat ruimte over te zijn. Hier is een extra sleep geplaatst, inklusief bijbehorende registermechniek. Later kan hier eventueel pijpwerk voor extra stem worden geplaatst.

Alle prestant-stemmen samen vormen het prestanten-koor, ook wel het Plenum genoemd en zijn dus zoals gezegd de ruggegraat van de orgelklank.

Een andere belangrijke groep registers zijn de fluiten. Ook deze zijn onmisbaar in een orgel. Ze kenmerken zich door een warme, ronde klank, minder sterk dan de prestanten. Deze klank wordt bereikt door een andere diameter van de pijpen en het dicht maken van de pijpen aan de bovenkant. Ze worden geheel afgedicht, bijvoorbeeld bij het register Gedekt, of gedeeltelijk, bijvoorbeeld bij het register Roerfluit (roer = rohr (Duits) = riet) waar bij op het deksel wat de pijp afsluit een klein buisje is aangebracht.

De fluitre
gisters van ons orgel zijn op het Hoofdwerk: Bourdon 16’, Roerfluit 8’, Gemshoorn 4’ en Cornet IV sterk. Op het bovenwerk: Gedekt 8’ Fluit 4’, Nasard 3’, Woudfluit 2’. Tenslotte op het Pedaal: Subbas 16’, Bourdon 8’en Roerquint 6'.

De 16 voets registers van Hoofdwerk en Pedaal klinken een octaaf lager dan de normale 8 voets hoogte (vergelijk het met een mannenstem die laag zingt) en zorgen daarmee voor de ‘bas’. De Bourdon 16’op het hoofdwerk hebben we niet op het huidige orgel. Dit register is daarom een erg waardevolle aanvulling op de draagkracht voor de begeleiding van de gemeentezang.

Een zeer kenmerkend register voor een Hollands gemeentezang orgel is de Cornet III sterk. Terwijl de naam doet denken aan een tongwerk is dit toch echt een fluitregister. Ook dit register is erg waardevol is voor de samenzang. Een van de typische kenmerken van dit register is dat het alleen in de discant klinkt. Dat wil zeggen vanaf de middelste c’ van het orgel en hoger, maar dus niet in de bas. Hierdoor wordt alleen de melodie versterkt, zodat deze heel goed naar voren komt.

De derde groep labiaal registers zijn de strijkers. Ze kenmerken zich door een zachte, ijle, strijkende klank. Heel waardevol voor zacht spel, bijvoorbeeld voor de dienst. Het orgel kent drie strijkers: Gamba 8’ en Vox Celeste 8’ op het hoofdwerk, Viola 8’ op het bovenwerk. Ter vergelijk: het huidige orgel heeft slecht één strijker op het bovenwerk. De Vox Celeste op het hoofdwerk is een heel speciaal register. Terwijl alle andere registers zuiver ten opzichte van elkaar zijn gestemd, wordt dit register juist zwevend gestemd wat een apart effect geeft, enigszins vergelijkbaar met wanneer de tremulant wordt gebruikt.

Speelhulpen

Onderaan de opsomming van de dispositie staan nog enkele namen. Je vindt ze ook bij de registerknoppen op het orgel. Het zijn geen ‘sprekende’ registers zijn maar de zogenaamde speelhulpen. Erg belangrijk en onmisbaar zijn de koppels. Hiermee worden de toetsen van de klavieren onderling en pedaal aan de klavieren gekoppeld. Als bij ingeschakelde manuaalkoppels een toets van het hoofdklavier wordt ingedrukt, wordt de zelfde toets van het bovenklavier meegetrokken. Datzelfde gebeurt bij de toetsen van het pedaal wanneer de koppel aan het hoofdklavier dan wel boven klavier wordt ingeschakeld. Dit geeft enorm veel meer mogelijkheden om registerkombinaties te maken.

Tenslotte de laatste registerknop: de Tremulant. Dit register stelt een bewegende klep in het windkanaal in werking waardoor de klank van het Bovenwerk een bepaalde golving krijgt. De tremulant wordt vooral gebruikt samen met een ‘uitkomende stem’ zodat die een wat meer levend karakter krijgt.